Vereniging voor
Volkenkunde Breda
Geef a.u.b. uw e-mailadres in, dan sturen wij u een link
waarmee u een nieuw wachtwoord kunt invoeren.
15 september 2026 Spreker: Fanny Vonu Weys - foto: Wikipedia
Verslag van de lezing van Fanny Wonu Veys voor de Vereniging voor Volkenkunde Breda. Hoe vertel je het verhaal van een gebied dat duizenden jaren cultuurgeschiedenis kent, honderden talen telt en tegelijkertijd onlosmakelijk verbonden is met de Nederlandse koloniale geschiedenis?
Tijdens haar lezing over Tijd voor Papoea nam antropoloog en conservator Fanny Wonu Veys haar toehoorders mee naar het westelijke deel van het immense eiland Nieuw-Guinea. Aan de hand van bijzondere voorwerpen, historische gebeurtenissen en hedendaagse kunst liet zij zien dat Papoea niet alleen over het verleden gaat. Het is juist een verhaal over identiteit, verandering, politieke strijd en culturele veerkracht.
Wonu Veys is conservator Oceanië bij het Wereldmuseum en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Haar lezing vormde een uitgebreide introductie op de tentoonstelling 'Tijd voor Papoea', die van 13 februari 2026 tot en met 3 januari 2027 in Wereldmuseum Leiden te zien is. Het museum toont ongeveer 400 objecten uit een collectie van bijna 50.000 voorwerpen uit westelijk Nieuw-Guinea. Het is voor het eerst in zestig jaar dat zo’n groot deel van deze bijzondere collectie gezamenlijk wordt gepresenteerd.
Om Papoea te kunnen plaatsen begon Veys haar verhaal bij Oceanië. Deze enorme regio, die een aanzienlijk deel van het aardoppervlak omvat, wordt traditioneel onderverdeeld in Australië, Melanesië, Micronesië en Polynesië. De Franse ontdekkingsreiziger Jules Dumont d’Urville introduceerde in de negentiende eeuw een invloedrijke indeling van de eilandenwereld.
Zo'n indeling lijkt overzichtelijk, maar was sterk beïnvloed door het Europese koloniale denken. Aan verschillende bevolkingsgroepen werden vermeende karaktereigenschappen toegekend. Melanesiërs werden bijvoorbeeld als agressiever en Polynesiërs als intelligenter beschouwd. Tegenwoordig wordt daarom kritischer naar dergelijke koloniale classificaties gekeken. Vanuit Oceanië zelf wordt ook het begrip Moana, het woord voor oceaan of grote zee in verschillende Polynesische talen, gebruikt om de verbondenheid van mensen en eilanden te benadrukken.
Nieuw-Guinea is binnen die wereld een gebied van een haast onvoorstelbare culturele diversiteit. Op het gehele eiland worden meer dan 800 talen gesproken; in het westelijke, Indonesische deel alleen al ongeveer 300. Iedere taal vertegenwoordigt bovendien eigen tradities, kennis, verhalen en relaties met het landschap.
De menselijke geschiedenis van Nieuw-Guinea gaat ongeveer 45.000 tot 50.000 jaar terug. In die periode lag de zeespiegel lager en vormden Australië en Nieuw-Guinea samen een groter landmassief, Sahul. Veel later bereikten Austronesisch sprekende zeevaarders delen van de regio. Daardoor ontstonden nieuwe culturele verbindingen en omvangrijke handelsnetwerken. De vaak prachtig versierde prauwen en kano’s getuigen van een wereld waarin de zee geen scheiding vormde, maar juist een verbindingsweg.
Ook het hardnekkige westerse beeld dat Papoea tot voor kort een soort ‘steentijdcultuur’ zou zijn geweest, behoeft correctie. Archeologische vondsten in de hooglanden laten bijvoorbeeld een zeer oude ontwikkeling van landbouw zien. Bovendien bereikten bronzen voorwerpen uit de Dong Son-cultuur in Zuidoost-Azië Nieuw-Guinea al lang vóór de Europese kolonisatie. Later ontstonden er eveneens tradities van ijzerbewerking. Smeden genoten aanzien en reisden over grote afstanden. Papoea was dus allerminst een geïsoleerde wereld.
De enorme collectie van het Wereldmuseum kan niet los worden gezien van de koloniale geschiedenis. Nederland maakte in 1828 formeel aanspraak op een deel van westelijk Nieuw-Guinea, hoewel het Nederlandse gezag daar aanvankelijk uiterst beperkt was. Pas later werd het koloniale bestuur daadwerkelijk uitgebreid.
Na de Indonesische onafhankelijkheid veranderde de positie van het gebied fundamenteel. Bij de soevereiniteitsoverdracht van 1949 werd Nederlands-Nieuw-Guinea niet aan Indonesië overgedragen. Nederland hield het gebied onder eigen bestuur, terwijl Indonesië het beschouwde als onderdeel van het voormalige Nederlands-Indië en dus als Indonesisch grondgebied.

In de jaren vijftig en vroege jaren zestig stimuleerde Nederland geleidelijk een grotere bestuurlijke betrokkenheid van Papoea’s. In 1961 werd de Nieuw-Guinea Raad geïnstalleerd. Op 1 december 1961 werd naast de Nederlandse vlag ook de Morgenstervlag gehesen, die later een krachtig symbool van de Papoease onafhankelijkheidsbeweging zou worden.
De internationale druk op Nederland nam echter toe. Met het Akkoord van New York van 15 augustus 1962 werd besloten het gebied eerst onder tijdelijk bestuur van de Verenigde Naties te brengen. Op 1 oktober 1962 nam de United Nations Temporary Executive Authority (UNTEA) het bestuur over. Vervolgens werd het gebied op 1 mei 1963 onder Indonesisch bestuur geplaatst.
Daarmee was de kwestie niet afgedaan. In 1969 vond de zogeheten Act of Free Choice, in Indonesië bekend als Pepera, plaats. Geen algemene volksstemming, maar een groep van ruim duizend geselecteerde vertegenwoordigers sprak zich namens de bevolking uit voor voortzetting van de band met Indonesië. De stemming en de omstandigheden waaronder zij plaatsvond zijn tot op de dag van vandaag omstreden. De Verenigde Naties namen in 1969 kennis van het resultaat.
Juist deze geschiedenis verklaart waarom woorden als ‘Papoea’ en ‘West-Papoea’ behalve geografische ook politieke betekenissen kunnen hebben.
De titel Tijd voor Papoea heeft verschillende lagen. Het is letterlijk tijd om opnieuw aandacht te besteden aan Papoea, maar ook tijd om de Nederlandse koloniale betrokkenheid onder ogen te zien. Tegelijkertijd verwijst de titel naar verschillende manieren waarop tijd binnen Papoease culturen wordt beleefd.
De westerse tijdsopvatting is sterk lineair: verleden, heden en toekomst volgen elkaar op. In verschillende Papoease wereldbeelden kunnen die dimensies veel sterker met elkaar verweven zijn. Voorouders behoren niet uitsluitend tot het verleden. Zij blijven aanwezig in mensen, voorwerpen, rituelen, dieren en het landschap.
Een indrukwekkend voorbeeld zijn de bisj-palen uit het Asmatgebied. Deze metershoge houten palen werden vervaardigd in samenhang met overleden familieleden en voorouders. De figuren in de palen verwijzen naar generaties en onderlinge relaties.
Ook de zogenaamde zielkano’s, of ji-pokmo, drukken deze verbondenheid uit. Sommige zijn vele meters lang en begeleiden symbolisch de zielen van overledenen. Afbeeldingen van dieren, waaronder schildpadden, kunnen tegelijkertijd verwijzen naar vruchtbaarheid, dood en nieuw leven.
Voor een westerse museumbezoeker is zo’n voorwerp een kunstobject in een vitrine. Binnen de gemeenschap waarin het ontstond, kon het echter onderdeel zijn van een veel groter netwerk van relaties tussen levenden, doden en omgeving.
Een ander thema van de tentoonstelling is het begrip grens. De koloniale machten trokken een kaarsrechte grens dwars door Nieuw-Guinea: de 141e lengtegraad vormt grotendeels de huidige grens tussen Indonesië en Papoea-Nieuw-Guinea. Die politieke lijn houdt weinig rekening met bestaande taalgebieden, familieverbanden en culturele netwerken.
Grenzen bestonden binnen Papoease samenlevingen uiteraard ook. Er waren verschillen tussen mannen- en vrouwenwerelden, tussen ingewijden en niet-ingewijden en tussen verschillende statusgroepen. In de centrale hooglanden kon oorlogvoering bijvoorbeeld nauw samenhangen met prestige en status. Strijders trokken prachtig uitgedost ten strijde. Ook de rijkversierde Asmat-schilden hadden meer dan alleen een praktische verdedigingsfunctie: zij maakten identiteit en macht zichtbaar.
Belangrijk waren eveneens de mannenhuizen. Daar werd kennis overgedragen over landbouw, visserij, dans, geschiedenis, liederen en rituelen. Jongens werden er voorbereid op hun plaats als volwassen mannen binnen de gemeenschap.
De rol van vrouwen is in oudere antropologische beschrijvingen veel minder zichtbaar. Dat zegt volgens Veys waarschijnlijk minstens zoveel over de Europese onderzoekers als over de Papoease samenlevingen: veel onderzoekers waren mannen en hadden gemakkelijker toegang tot mannenhuizen dan tot de leefwereld van vrouwen.
Een sprekend voorbeeld van botsende culturele opvattingen is de koteka, de peniskoker die in delen van de hooglanden door mannen wordt gedragen. Westerlingen interpreteerden de koteka vaak vanuit hun eigen ideeën over naaktheid en seksualiteit. Voor de dragers zelf is het eenvoudigweg kleding, waarbij vorm en uitvoering bovendien iets kunnen vertellen over regionale identiteit en persoonlijke stijl.
Rond 1970 probeerde de Indonesische overheid met Operatie Koteka het gebruik ervan terug te dringen en westerse kleding te bevorderen. De koteka verdween echter niet. Tegenwoordig wordt hij onder meer tijdens culturele en feestelijke gelegenheden gedragen. Daarmee is een ogenschijnlijk eenvoudig kledingstuk tevens een symbool geworden van de spanning tussen modernisering van bovenaf en het recht om een eigen culturele identiteit vorm te geven.
Een belangrijke keuze in Tijd voor Papoea is dat niet alleen het spectaculaire houtsnijwerk van mannen wordt getoond. Vrouwelijke makers krijgen nadrukkelijk aandacht. Vrouwen vervaardigen onder andere tassen, matten, kralenwerk en textiel. De gebruikte materialen laten zien hoe internationaal Papoea al eeuwenlang verbonden was. Kralen konden bijvoorbeeld via handelsroutes uit China of de Filipijnen komen.
Bijzonder is ook de weeftraditie. In delen van westelijk Nieuw-Guinea bestond een traditie van weven met plantaardige vezels die in de twintigste eeuw sterk onder druk kwam te staan door koloniale invloed, zending en veranderende kledinggewoonten. Vrouwen hebben deze technieken later bewust opnieuw opgepakt. Daarmee wordt weven meer dan handvaardigheid: het wordt een manier om de relatie met moeders, grootmoeders en voorouders voort te zetten.
Ook hedendaagse kunstenaars experimenteren. Traditionele technieken worden gecombineerd met nieuwe materialen, soms zelfs met gerecycled verpakkingsmateriaal. Wat traditioneel en modern lijkt, blijkt in de praktijk voortdurend in elkaar over te lopen.
Een fascinerende verbinding met de Europese kunstgeschiedenis vormen de beschilderde boombastdoeken uit onder andere het Sentani-gebied. Deze kwamen in de eerste helft van de twintigste eeuw in Europa terecht en trokken de aandacht van avant-gardistische en surrealistische kunstenaars. De zwevende figuren, geometrische vormen en sterk gestileerde mens- en diermotieven sloten aan bij de belangstelling van Europese kunstenaars voor droom, onderbewuste en niet-westerse kunst.
Daarbij past tegenwoordig wel een kritische kanttekening. Europese kunstenaars als Max Ernst, Picasso en Miró lieten zich inspireren door kunst uit Oceanië, terwijl de namen en opvattingen van de oorspronkelijke makers nauwelijks werden vastgelegd. Tijd voor Papoea probeert daarom juist de Papoease makers en betekenissen weer centraal te stellen.
In het tweede deel van de lezing verschoof de aandacht nadrukkelijk naar het heden. Papoea ondergaat ingrijpende ecologische veranderingen door mijnbouw, houtkap en grootschalige landbouwprojecten, waaronder palmolie- en rijstproductie.
Voor bijvoorbeeld de Marind is een bos niet alleen een verzameling bomen. Voorouders zijn aanwezig in planten, dieren en plekken in het landschap. Wanneer het bos verdwijnt, gaat daardoor meer verloren dan natuur. Ook relaties, verhalen en culturele herinneringen verdwijnen. Daarmee krijgt milieuschade een diepere betekenis. Ecologische vernietiging kan tegelijkertijd culturele vernietiging zijn.
Een ander voorbeeld is de enorme Grasbergmijn in het centrale bergland, waar koper en goud worden gewonnen. Mijnbouw heeft grote economische betekenis, maar leidt ook tot conflicten over grond, milieu en de positie van lokale gemeenschappen.
Een van de meest indringende verhalen uit de lezing was dat van Arnold Ap. Deze antropoloog, conservator en musicus verzamelde muziek, dansen en verhalen uit verschillende delen van Papoea. Met de groep Mambesak bracht hij die culturele rijkdom op het podium.
In een gebied met honderden talen en sterk uiteenlopende gemeenschappen hielp die muziek het besef groeien dat er naast alle verschillen ook een gezamenlijke Papoease identiteit bestond. Juist daardoor kreeg zijn culturele werk een politieke betekenis. Ap werd door de Indonesische autoriteiten gevangengezet en kwam in 1984 om het leven.
In de tentoonstelling wordt hij geëerd met een ongeveer 2,5 meter hoog beeld van kunstenaar Diki Tapindari. Bijzonder is dat bij de totstandkoming ook de familiegeschiedenis van Ap een rol speelt. Zo verbindt het kunstwerk opnieuw verleden, heden en volgende generaties.
Die verbinding is ook zichtbaar in hedendaagse kunst. Het kunstenaarscollectief Udeido gebruikt kunst om aandacht te vragen voor politieke en maatschappelijke problemen in Papoea. De makers opereren uit veiligheidsoverwegingen onder een collectieve naam.
Onderwerpen zijn onder meer de positie van Papoease talen en cultuur binnen het Indonesische onderwijssysteem, de gevolgen van economische exploitatie en de marginalisering van de oorspronkelijke bevolking.
Ook migratie speelt daarbij een rol. Door decennialange migratie vanuit andere delen van Indonesië is de bevolkingssamenstelling ingrijpend veranderd. Vooral in stedelijke en economisch belangrijke gebieden is het aandeel niet-Papoease inwoners sterk toegenomen. Dat voedt zorgen over land, politieke invloed en het voortbestaan van lokale talen en tradities.
Misschien wel het belangrijkste uitgangspunt van Tijd voor Papoea is daarom dat het museum niet uitsluitend over Papoea’s wil spreken.
Voor de tentoonstelling werd samengewerkt met Papoease gemeenschappen in Nederland en Nieuw-Guinea. Mensen uit de diaspora bezochten de museumdepots en gingen in gesprek over voorwerpen die soms generaties geleden uit hun gebieden naar Nederland zijn gekomen.
Ook hedendaagse Papoease filmmakers kregen een plaats. Het collectief Papuan Voices maakte films over actuele onderwerpen, rituelen, landbouw en culturele tradities. Een tijdlijn, samengesteld met jonge Papoea’s, verbindt lokale geschiedenis met regionale en mondiale gebeurtenissen. In een audiotour vertellen mensen uit de Nederlandse Papoease diaspora over hun relatie met het erfgoed.
(klik op logo voor website)
Daarmee verandert ook de positie van het museum. Een collectie is niet langer uitsluitend een verzameling voorwerpen die door wetenschappers wordt onderzocht en aan bezoekers wordt uitgelegd. Zij kan ook een ontmoetingsplaats worden waar nazaten, makers en gemeenschappen opnieuw relaties met hun erfgoed aangaan.
Aan het einde van de lezing werd duidelijk hoe goed de titel Tijd voor Papoea gekozen is. Het is tijd om te kijken naar een cultuurgeschiedenis die tienduizenden jaren teruggaat. Tijd om te erkennen dat Nieuw-Guinea nooit een geïsoleerde ‘steentijdwereld’ was, maar deel uitmaakte van omvangrijke netwerken van handel, migratie en culturele uitwisseling.
Het is ook tijd om opnieuw naar de Nederlandse rol te kijken. De bijna 50.000 voorwerpen in het Wereldmuseum zijn niet toevallig in Leiden terechtgekomen. Hun aanwezigheid hangt samen met reizen, onderzoek, missie, handel én kolonialisme.
Maar bovenal maakt de lezing van Fanny Wonu Veys duidelijk dat Papoea niet uitsluitend geschiedenis is. Tradities worden opnieuw uitgevonden. Vrouwen pakken oude technieken weer op. Kunstenaars gebruiken traditionele beeldtaal om hedendaagse politieke boodschappen te formuleren. Muziek verbindt honderden taalgemeenschappen. Voorwerpen die tientallen jaren in Nederlandse depots lagen, krijgen nieuwe betekenis wanneer Papoea’s er opnieuw mee in contact komen. Verleden, heden en toekomst staan daarmee niet netjes achter elkaar.
Precies daarin schuilt misschien de kern van de tentoonstelling: voorwerpen bewaren herinneringen, maar relaties houden cultuur levend. En zolang nieuwe generaties die relaties opnieuw vormgeven, is Papoea niet alleen een onderwerp uit onze koloniale geschiedenis, maar een levende cultuur met een eigen stem en een eigen toekomst.
Tentoonstelling
Tijd voor Papoea - Wereldmuseum Leiden
13 februari 2026 t/m 3 januari 2027
|
|
T I J D L I J N
De geschiedenis van West-Papoea begint niet bij de komst van Europeanen. Al tienduizenden jaren wonen er mensen op Nieuw-Guinea. Kolonisatie, Indonesisch bestuur en de huidige politieke spanningen vormen slechts de meest recente hoofdstukken van een veel ouder verhaal.
De eerste mensen bereiken Nieuw-Guinea, dat door de lagere zeespiegel nog deel uitmaakt van het grotere landmassief Sahul, samen met Australië. Hier begint een culturele geschiedenis die vele tienduizenden jaren teruggaat.
In de centrale hooglanden ontwikkelt zich al zeer vroeg landbouw. Nieuw-Guinea behoort daarmee tot de gebieden in de wereld waar mensen zelfstandig landbouwsystemen ontwikkelden.
Austronesische zeevaarders bereiken delen van Nieuw-Guinea. Nieuwe talen, handelscontacten en maritieme tradities verspreiden zich. Latere vondsten van bronzen voorwerpen uit Zuidoost-Azië onderstrepen dat Papoea geen geïsoleerde wereld was.
Nederland maakt formeel aanspraak op een deel van westelijk Nieuw-Guinea. Aanvankelijk is de daadwerkelijke Nederlandse aanwezigheid beperkt, maar uiteindelijk wordt het gebied onderdeel van Nederlands-Indië.
Nederland draagt de soevereiniteit over Nederlands-Indië over aan Indonesië, maar Nederlands-Nieuw-Guinea blijft buiten de overdracht. Daarmee ontstaat een conflict dat de toekomst van het gebied ingrijpend zal bepalen.
Op 5 april wordt de Nieuw-Guinea Raad geïnstalleerd, waarin Papoea’s een belangrijke rol krijgen. Op 1 december wordt de Morgenstervlag gehesen. Die vlag groeit uit tot een krachtig symbool van Papoease identiteit en het streven naar zelfbeschikking.
Met het Akkoord van New York van 15 augustus spreken Nederland en Indonesië onder bemiddeling van de Verenigde Naties af dat het Nederlandse bestuur eindigt. Op 1 oktober neemt de VN het bestuur tijdelijk over.
Op 1 mei draagt het tijdelijke VN-bestuur West-Nieuw-Guinea over aan Indonesië. Daarmee begint een nieuwe en tot op heden bepalende periode in de geschiedenis van West-Papoea.
Freeport krijgt toegang tot de enorme bodemschatten van het gebied. De mijnbouw groeit uit tot een belangrijke economische factor, maar brengt ook conflicten over land, milieu en de positie van de oorspronkelijke bevolking met zich mee.
Tijdens de Act of Free Choice, in Indonesië Pepera genoemd, spreken 1.025 geselecteerde vertegenwoordigers zich uit voor aansluiting bij Indonesië. De omstandigheden waaronder dit gebeurt zijn omstreden. De gebeurtenis speelt tot vandaag een centrale rol in de discussie over zelfbeschikking en onafhankelijkheid.
Met ‘Operatie Koteka’ probeert de Indonesische overheid traditionele kleding in de hooglanden te vervangen door westerse kleding. De peniskoker wordt daardoor meer dan een kledingstuk: hij groeit mede uit tot een zichtbaar symbool van Papoease culturele identiteit.
Papoea-Nieuw-Guinea, het oostelijke deel van het eiland, wordt op 16 september onafhankelijk van Australië. Het westelijke deel blijft onderdeel van Indonesië.
Antropoloog en musicus Arnold Ap verzamelt met zijn groep Mambesak liederen, dansen en verhalen uit uiteenlopende Papoease culturen. In een gebied met honderden talen helpt muziek het besef van een gezamenlijke Papoease identiteit versterken.
Na gevangenschap door de Indonesische autoriteiten komt Arnold Ap om het leven. Zijn dood maakt hem tot een belangrijk symbool van Papoease culturele identiteit en politieke strijd.
Indonesië verleent Papua een bijzondere autonome status, met meer bestuurlijke bevoegdheden en financiële middelen. Daarmee verdwijnt de roep om onafhankelijkheid echter niet.
Indonesië deelt het gebied verder op. Het Indonesische deel van Nieuw-Guinea bestaat uiteindelijk uit zes provincies. Volgens de Indonesische overheid moet dat het bestuur en de dienstverlening dichter bij de bevolking brengen. Critici vrezen juist verdere versnippering van de politieke invloed van Papoea’s.
Mijnbouw, ontbossing, grootschalige landbouw, migratie en politieke spanningen veranderen West-Papoea in hoog tempo. Tegelijkertijd houden Papoease kunstenaars, musici, filmmakers en gemeenschappen hun talen, verhalen, rituelen en culturele kennis levend en geven zij die op nieuwe manieren door.
Met de tentoonstelling Tijd voor Papoea brengt Wereldmuseum Leiden historische objecten, hedendaagse kunst en stemmen uit Papoea en de Nederlandse Papoease diaspora samen. De tentoonstelling loopt tot en met 3 januari 2027 en nodigt bezoekers uit om niet alleen naar het koloniale verleden te kijken, maar vooral ook naar het Papoea van vandaag.
Papoea-Nieuw-Guinea: Heksen, kannibalen en een paradijs op aarde